Machines opvoeden

Computers en machines worden steeds slimmer. De mens creëert ze, gebruikmakend van technologie,
big data en slimme algoritmes. Er zijn al machines die veel dingen beter kunnen dan wij. Maar nog niet alles. En je moet ze programmeren. Tóch lijkt de zelfdenkende machine nabij. Wat is artificial intelligence en hoe ver zijn we ermee?

 

Het ‘buzzwoord’ Artificial intelligence (AI) -in goed Nederlands kunstmatige intelligentie- is niet eenduidig te definiëren, omdat er evenmin een vaste definitie bestaat van intelligentie. Want wanneer is iets of iemand intelligent? Is een rekenmachine intelligent? Hij rekent 432:18 in een split second uit, terwijl u er vast even over na moet denken. Maakt dat de machine slimmer dan u? Of kan hij gewoon beter rekenen? Volgens de min of meer geaccepteerde opvatting onder wetenschappers kan gesproken worden van AI als apparaten intelligent gedrag vertonen, dat wil zeggen reageren op data of impulsen uit hun omgeving en op basis daarvan zelfstandig beslissingen nemen. Het voorbeeld van de rekenmachine ten spijt, gaat het bij AI dus niet om rekenkracht. Het betreft intelligente apparaten die het denkvermogen van mensen imiteren. Ze herkennen patronen en volgen algoritmes. Ook ontwikkelen ze lerend vermogen -machine learning genoemd- waarmee ze nog betere resultaten kunnen leveren. Binnen het domein van AI wordt over het algemeen onderscheid gemaakt tussen zogenaamde ‘zwakke’ AI en ‘sterke’ AI. Bij zwakke AI gaat om intelligentie die toegespitst is op slechts één taak, zoals de zoekalgoritmen die Google gebruikt. Met sterke AI wordt intelligentie bedoeld die allesomvattend is, die de capaciteit heeft om te redeneren, problemen op te lossen en mogelijk in de toekomst een vorm van zelfbewustzijn heeft. Bij sterke AI worden nog twee subtypen onderscheiden: de mens-gelijke AI (redeneert en denkt als een mens) en de niet-mens-gelijke AI (ontwikkelt een eigen computerintelligentie).

Het volledige artikel vindt u in AIM 3/17, te verkrijgen in de kiosk.